Het behelpen

Het lege gegeven der zemelende kerken
gescherpt met het gewetenslege vergeten
en het bezwerende geklets en snerpende gemekker
der edele heren met messcherpe kelen
betrekt
met een enkele hese schreeuw
welke het scherpe weerleggen tergt
en het verkeerde beschermen
bedeelt met een eng leeg heden

Ergens heel ver weg rekent een genegen mens
met het echte leven en welt
het helen.

Het water

Je wou dat ik je hielp. Je zat op je knieën naast het open kruipgat, de rimpel tussen je ogen nog dieper dan anders. Er stond water onder het hele huis. Je had gevloekt. Ik wist niet wat ik moest doen, maar ik wist wel dat ik het moest doen. Alleen redde je het niet. Mama hield zich in de woonkamer bezig met niets. Ik durfde wel bij je te staan. Je keek naar me. Of je me zag, weet ik niet. Misschien dacht je na. Vlak voordat je ineens opstond, had je me aangekeken zoals je echt bent.
Je trok me mijn regenpak aan. Je vroeg me mijn laarzen aan te trekken en de broekspijpen van mijn regenbroek er overheen te doen. Je gaf me de roze rubberhandschoenen van onder de gootsteen aan. Ze waren grappig groot. Lege stukken vinger gingen dubbel als ik iets vastpakte. Ik kon mijn rits niet dichtdoen, dat deed jij. Mijn mouwen deed je over de handschoenen. Je pakte een rol van dat dikke bruine plakband. Lijm en plakband, daar zat je gereedschapskist vol mee. Met het bruine tape maakte je mijn mouwen en broekspijpen dicht. Je deed het strak. Wel vijf keer ging je rond, terwijl twee keer misschien ook genoeg was. Dit leek me professioneel, drie keer extra. Vaders doen dat, moeders niet. Je trok zo hard aan het plakband dat mijn vooruitgestoken armen vanzelf bewogen. Je zei dat het water me niet mocht raken. Je zei het heel duidelijk. Alleen mijn hoofd was niet ingepakt. Ik vond het niet erg om nat te worden. Dat werd wel weer droog en ik zat ook al lang op zwemles.
Daarna moest ik het water in. Je liet me voorzichtig zakken, met je handen onder mijn armen. Dat deed een beetje zeer aan mijn oksels, maar ik zei niks. Het voelde gek om in water te komen dat me niet raakte, maar wat ik wel voelde. Ik zat op mijn handen en voeten, het water kwam tot halverwege mijn kont. Het was donker. Ik kreeg een lamp mee. Een looplamp noemde jij dat. Je was heel zuinig op je lamp, je zei dat hij níet nat mocht worden. Hij gaf fel licht, dus daar moest ik niet in kijken. Er zat een heel lang oranje snoer aan. Het had een dik handvat, ook oranje. De lamp was aan één kant open met een hekwerkje, aan de andere kant was hij dicht, als een schelp. Je gaf me de teil. Die gebruikten we eigenlijk alleen als ik ziek was, voor in bed. Hij was lichtbruin en rook naar teil. Je gaf hem aan me om de lamp in te leggen. Dat was handig, want zo hoefde ik hem niet te tillen. Je zei weer dat de lamp niet nat mocht worden, maar dat wist ik al. Af en toe gaf ik de teil een klein zetje, zodat hij voor me uit dreef. Als ik een te hard zetje gaf, golfde het een beetje en kwam er wat water in de teil, maar niet veel hoor. De volgende zetjes gaf ik heel voorzichtig. Dat riep jij ook. Voorzichtig, riep je. Je hing op je kop in het kruipgat. Ik keek een keer achterom naar je. Je hoofd zag er heel gek uit, ondersteboven. Je ondertanden leken je boventanden, die in je lip prikten. Je ogen hingen naar beneden. Ik mocht de lamp niet uit de teil halen. Je zei het zo boos. Je rimpel was op zijn diepst, ook omdat je op je kop hing, denk ik.
Op mijn handen en knieën moest ik naar de kraan aan de achterkant kruipen, onder de woonkamer waar Mama zat. Als ik een stok door de vloer kon steken, prikte ik in haar kont. Ik stopte snel met daar aan te denken, want ik moest nu serieus helpen. Het water kwam tot mijn borst. Het kwam niet in mijn kraag, want die had jij zo hoog mogelijk dichtgedaan. Het ijzertje van de rits prikte in mijn keel, maar ik lette er niet op. Als dit niet lukte, hoe moest het dan? Soms stootte ik mijn rug tegen de dikke betonnen balken aan de bovenkant. Jij paste hier helemaal niet onder. Aan het einde van ons huis was de kraan. Die moest dicht. Het was een poepbruine kraan met twee vleugels eraan op een lange pijp. Er was geen uiteinde, zoals bij andere kranen, dus waar was het water eigenlijk uit gekomen? En waarom was daar eigenlijk een kraan als er geen water onder het huis mocht? Ik kroop naar de kraan. De lamp maakte enge schaduwen op de lage muren. Ik was een groot zwart monster, maar ik had geen tijd om bang te zijn. Ik hoorde Mama iets zeggen tegen jou, maar ik kon het niet goed horen door het gespetter. Je snauwde iets best wel onaardigs terug. Als het me lukte, zou het weer beter worden. Ik had een goed ritme te pakken. Elleboog elleboog knie knie teiltje, elleboog elleboog knie knie teiltje. Toen ik bij het kraantje was, riep jij dat ik hem dicht moest draaien. Dat had je al gezegd. Je vond het belangrijk dat ik het goed begreep. Ik steunde op mijn linkerarm. Binnen in mijn regenpak was het klam.
Met de flubbelvingers van mijn rechterhand probeerde ik de kraan dicht te draaien. Ik kon niet goed kracht zetten, omdat ik op mijn buik lag en omdat ik rare vingers had. Het was niet hoog genoeg om te zitten. Ik draaide zo hard ik kon. Misschien draaide ik de verkeerde kant op? Ik vroeg welke kant hij op moest. Tegen de klok in, zei je. De kraan stond rechtop, dus wat is dan tegen de klok in? Denk aan een potje pindakaas, zei je. Je probeerde rustig te blijven, dat hoorde ik. Ik probeerde het echt. Ik gaf veel kracht en liet een scheetje. Ik krijg hem niet, zei ik. Het potje pindakaas hielp niet, pindakaas is altijd gewoon in de keuken en niet onder het huis in water tot mijn borst. Je begon me aan te moedigen, maar niet leuk. Mijn hand deed pijn van het draaien. Ik kreeg tranen in mijn ogen, maar dat vond ik stom. Het moest lukken. Ik wist echt niet meer welke kant op, ik deed het nog één keer zo hard mogelijk. Toen schoot hij ineens los! Ik schreeuwde het uit. Jij ook. Is hij dicht, vroeg je. Ik wist het niet, ik wist niet of ik hem open of dicht had gedraaid. Ik draaide hem helemaal door tot hij niet meer kon. Dat ging nu gemakkelijk. Je vroeg weer of hij dicht was. Ik zei ja, maar ik wist het niet zeker. Hij kan niet verder, zei ik. Kom maar terug, zei je.
Ik draaide me om en zag al het water. Het was heel veel. Dat kon je nooit opdrinken. Voorzichtig pakte ik de teil en ging weer terug. Ik was helemaal warm geworden en trots dat het was gelukt. Jij moedigde me aan om terug te komen en zei weer dat ik voorzichtig moest zijn. Ik zei dat het zo goed was. Toen ik er bijna was, pakte je eerst met twee handen heel langzaam de lamp eruit. Daarna moest ik de teil aangeven en toen pakte je mij eruit. Je trok me aan mijn armen, ineens vloog ik eruit. We waren allebei blij. Je zei dat het nu verder wel in de grond zou trekken, als er maar niets meer bij kwam. Ik droop op de vloer, maar je zei er niets van. Je trok het tape van mijn armen en benen, mijn regenpak sloeg je buiten uit. Je zei dat ik maar lekker mijn pyjama aan moest trekken. Toen ik beneden kwam, lag de deurmat op zijn plek en las jij de krant aan tafel. Je zei niks. Mama ook niet.

De laatste

De waarde van verjaren
is dat je weer eens word gebeld

Ja, best. Het is de tijd die op mij let en
hoe is ‘t dan bij jullie?

Er ligt een bril op tafel
God weet van wie die is

het raam dat laat ik open, want
ik kan niet zonder wind

die vrouw die daar alleen loopt
betekent verders heus niets

de buren zijn weer luid vandaag
ze staan in schreeuw contrast

alsof ik in de spiegel luister
zij is op, verdomme

hij weet dat hij de laatste is.

De Grote Driehonderd

Achterflappen zijn geweldig
weg is heel de middelmaat

Iedereen hoort bij de besten
iedereen is relevant

Niemand worstelt en gaat onder
vier, vijf sterren van de krant

Vraag schrijvers geen verbetering
laat dat maar aan de marketing!

Aerodynamica

De zon schijnt
in mijn koffie
harder dan de maan
in half ornaat

wij zijn de schaduw
op hun lichaam
vliegen precies
tussen beiden in

de wolken stil-
geprikt decor
wij schieten hard
onder ze door

het waait niet
dat is stroming
turbulentie
van de vaart

ons profiel geeft
ons die weerstand
in een tunnel
van de wind.

Vaders gaan te lang door

Deze wijst zijn zoon op fietsers
die allang waren gezien, hij
staat zelf hopeloos in mijn weg
weet niet hoe hij aan de kant moet
laat zich leiden door zijn oudste
die mij steels een knipoog stuurt,
de verwekker kijkt ontredderd
van zijn arm naar mijn gezicht
vaders gaan te lang door
vaders gaan teloor.

Eerste dag

Morgen buurman
ik groet je slaapkruin
je pantoffels
je ziet me niet
je veegt
nooit eerder veegde je
om deze tijd je stoep
zo fanatiek
zorgvuldig
je doet of je niet ziet
dat ik mijn auto instap
met mijn broodpakket
agenda
je ziet alleen maar stof
je groet niet terug
je veegt
je veegt.

Ik ben er voor je

Sommige dingen
hebben geen enkel nut
zijn daarin volkomen waardevol,
zoals jij.

Ik pak iets
leg het later
op exact dezelfde plek terug
laat het niet daar liggen
waar het straks weer nodig is.

Om jou doe ik dat. Wat
moet er anders worden
van een kast?